In Kockengen
Walter en Aart van david gingen naar een creatieve middag in de grote stad, heel ver weg boven de grote rivieren. Ze hadden er heel veel zin in en hadden er heel veel geleerd van allemaal slimme mensen. En toen moesten ze terugrijden. Het was al donker en heel erg druk op de weg. Walter fluisterde tegen Aart dat de benzine bijna op was en reed pardoes langs het eerste tankstation dat ze tegenkwamen. Woeshhh. Oei, dacht Aart toen. Het kan best wel eens lang duren voordat het volgende tankstation er is. Op Walters voorhoofd verscheen angstzweet. We zijn hier onbekend, dacht hij. Misschien zitten er struikrovers langs de weg of mannen die mannen zoeken. Paniek maakte zich meester van Walter en Aart. En toen dachten ze dat een lege tank in een dorp veiliger was dan langs de A2 en namen bij Breukelen de afslag. Daar ging het mis en pruttelde de motor zichzelf uit. Daar zaten ze dan, in het donker en alleen. Walter nam dapper de benen, stapte de herfstduisternis in en belandde in het gehucht Kockengen bij boertje Van de Laatstekans. Hij had nog gevochten in de oorlog en bracht Walter naar de lokale benzineboer. Die dicht was. Maar de vriendelijke benzineboer wist dat mensen wel vaker in Kockengen droogliepen en gaf Walter een magisch kannetje met benzine. Aart, intussen al heel lang eenzaam in de auto, had ontdekt dat op loopafstand van de auto een tankstation lag dat wel open was. En toen reden ze daar naartoe om de auto vol te tanken want Aart was bang dat Walter dacht dat het kannetje echt magisch was en dat er genoeg in zat om helemaal naar huis te kunnen rijden wat niet zo was want het kannetje was helemaal niet magisch. Het was al bijna middernacht toen de twee thuis arriveerden.